Het huidige kasteel van de familie de Hemptinne, gelegen op een terrein dat ooit moerassig was, ontstond in 1900 als vervanging van een ouder landhuis dat bekend stond onder de naam Damzicht. Het domein behoudt vandaag de structuur die rond de eeuwwisseling werd gerealiseerd, maar de geschiedenis van de site reikt terug tot het begin van de 19de eeuw.
Het verhaal van het domein begint in 1828, wanneer Karel August Vervier, een invloedrijke figuur in het toenmalige Oost-Vlaamse maatschappelijk en politiek leven, ongeveer 160 hectare voormalige domeinbossen verwerft. Deze aankoop vormde de basis voor een aanzienlijke landgoedontwikkeling in een regio die toen nog gekenmerkt werd door moerassige gronden en verspreide landbouwpercelen. Rond 1840 liet Vervier op deze locatie een landhuis optrekken, dat hij de naam Damzicht gaf. Vervier zelf had een gevarieerde carrière: aanvankelijk werkzaam als bankier, werd hij in 1814 benoemd tot ontvanger en agent van de rijkskassier voor het district Eeklo, een functie die hij bijna twintig jaar bekleedde. Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 ontwikkelde hij zich tot een actief liberaal politicus, waarbij hij zijn economische en sociale invloed ook inzette in lokale politieke aangelegenheden. In 1821 huwde hij met Adelaïde Stroobant de Terbrugghen, weduwe van Pierre Everard, de destijds zittende burgemeester van Eeklo. Karel August Vervier bracht zijn laatste levensjaren door in Damzicht en overleed er op 20 oktober 1872.
Aan het einde van de 19de eeuw verwierf de familie de Hemptinne het domein. Joseph de Hemptinne, prominent ondernemer en een van de pioniers van de Oost-Vlaamse katoenindustrie, besloot in 1900 tot de bouw van een nieuw kasteel. Het ontwerp reflecteerde de architecturale tendensen van die periode, met een duidelijke voorkeur voor regionalistische baksteenarchitectuur, verrijkt met neo-Vlaamse renaissancemotieven. Deze stijlkeuze getuigt van een bewuste combinatie van lokale identiteit en industrieel succes, waarmee de welvaart en maatschappelijke status van de familie werd gecommuniceerd. Tegelijkertijd werden functionele bijgebouwen zoals het koetshuis, de paardenstallen en de hoeve gerealiseerd, waardoor het domein een coherent ensemble van residentiële en agrarische architectuur werd.
Het kasteel en zijn bijgebouwen illustreren niet alleen de esthetische en sociale aspiraties van een industriële familie in het begin van de 20ste eeuw, maar bieden ook een waardevolle inkijk in de transitie van een landschap van moerassen en bospercelen naar een georganiseerd landgoed met residentiële en agrarische functies. De historische continuïteit van de site, van Vervier tot de Hemptinne, benadrukt de verweving van lokale economische, politieke en sociale netwerken in Oost-Vlaanderen tijdens de 19de en vroege 20ste eeuw.